De acclimatisatie van fokgelten is op veel zeugenbedrijven een risicovol gebeuren

Acclimatisatie betekent aanpassing. Het belang van een goed functionerende acclimatisatie bij de introductie van fokgelten wordt te vaak onderschat. Iedereen heeft wel eens gehoord van bedrijven die van fokgeltenleverancier zijn gewisseld en vervolgens een uitbraak van ziekte bij de zeugen meemaakten. Met uiteindelijk gevolgen voor de afzet van de biggen. Een goede acclimatisatie vermindert het risico op een uitbraak als gevolg van de introductie van fokgelten. Het is onze ervaring dat met een beetje denkwerk, deze ‘quarantaine & adaptatie’ van gelten een puzzel is die op veel bedrijven mooier gelegd kan worden.

Het PRRS-virus is een goed model voor risico’s op ziekteoverdracht op varkensbedrijven. In de PRRS-monitoring van pasgeboren biggen test ongeveer de helft van de Nederlandse zeugenbedrijven elk kwartaal minimaal één keer PRRS-positief (eigen data). Dat kan op bedrijfsniveau passen binnen het patroon van een sluimerende PRRS-infectie waarbij er met enige regelmaat PRRS positieve biggen worden geboren. De laatste 2-3 maanden zijn er echter een aantal bedrijven waar PRRS onder de zeugen al langere tijd rustig was, wat te zien is aan een lange reeks van PRRS negatieve resultaten bij pasgeboren biggen, die opeens een uitbraak meemaakten. De logische vraag is dan: wat is de oorzaak van de PRRS-uitbraak bij de zeugen? Daarbij moet ook gedacht worden aan de mogelijke introductie van PRRS-virus via de fokgelten. Ook uitbraken van andere infectieziektes, zoals PIA, Mycoplasma en App, hebben regelmatig te maken met een introductie via aanvoerde fokgelten. 

De acclimatisatie van fokgelten is vaak gebaseerd op een aanvoerritme van elke 6 tot 8 weken. Naar het schijnt een erfenis van de grote Klassieke Varkenspest uitbraak van ’97-’98. De manier waarop aangevoerde gelten op zeugenbedrijven binnenkomen lijkt nogal eens een sluitpost te zijn in de vorm van een niet meer gebruikte afdeling of stalletje ergens binnenin het bedrijf. Ook zijn er bedrijven die in aantallen zeugen zijn gegroeid waarbij de acclimatisatie van fokgelten niet op die aantallen is aangepast. Of bedrijven kiezen ervoor om zelf geltjes op te fokken, vanaf 10-14 weken leeftijd of vanuit eigen aanfok. Ook dan is een goed georganiseerde acclimatisatie van belang.

Op ongeveer de helft van de bedrijven worden gelten tijdens de acclimatisatie ‘biologisch geadapteerd’ met materiaal uit bijvoorbeeld de kraamstal. Dit vormt een extra risico waar zorgvuldig mee moet worden omgegaan.

Een goede acclimatisatie is afhankelijk van de tijd die nodig is voor quarantaine en adaptatie. Dat betekent: de tijd die nodig is voor het uitzieken van eventueel meegenomen infecties vanuit de geltenopfokstal (externe of interne opfok maakt niet uit) én de tijd die nodig is voor het opbouwen van immuniteit tegen kiemen die de gelten bij de zeugen waarschijnlijk gaan tegenkomen. De veiligste en meest zekere optie is immuniteitsopbouw door vaccinaties. Waar we ook rekening mee moeten houden zijn infecties als gevolg van de hier eerdergenoemde eventuele ‘biologische adaptatie’. Deze infecties mogen niet meer worden uitgescheiden wanneer de gelten in de zeugenstapel komen. Ook daarvoor moet een quarantaineperiode worden aangehouden; de ‘afkoelperiode’. Tegelijkertijd is het de bedoeling dat de gelten in de afkoelperiode een zekere mate van immuniteit opbouwen tegen de doorgemaakte infecties.

Al met al duurt een goede acclimatisatie minimaal 12 weken. Wetenschappelijk valt daar misschien wat op af te dingen, maar op basis van ervaringen is dit een goede en praktisch toepasbare periode.

Het ideale uitgangspunt is een compleet afgescheiden stal voor 12 weken isolatie. De stal is biologisch goed afgescheiden van de andere stallen; aparte putten, gescheiden ventilatie, aparte kleding, schoeisel en materialen. De stal is gereinigd en ontsmet voordat de nieuwe gelten erin komen. Bij een gewenste introductie in de zeugenstal vanaf bijvoorbeeld 34 weken leeftijd, leg je in de acclimatisatiestal geltjes op van 11 tot 22 weken leeftijd. Vervolgens gaan deze in 12 weken in isolatie en doorlopen het programma van quarantaine en adaptatie. Na 12 weken gaan alle gelten naar de zeugenstal.

Is er in de zeugenstal geen ruimte voor gelten vanaf 23 (11+12) weken leeftijd, dan biedt een tweede identiek uitgevoerde acclimatisatiestal een oplossing. Dan kan de acclimatisatiestal in de loop van 11 weken leegdraaien terwijl in de andere acclimatisatiestal de volgende groep gelten in isolatie ligt.

Als dat ook niet mogelijk is, dan kan er gepuzzeld worden met kleinere groepen aan te voeren gelten. Bijvoorbeeld door elke 6 weken aan te voeren met een leeftijd van 17 tot 22 weken leeftijd. Daarbij zijn meer acclimatisatieruimtes nodig, die per ruimte kleiner zijn. De prioriteit is en blijft 12 weken acclimatisatie/ isolatie.

De ervaring is dat in bestaande bedrijfssituaties, eventueel met kleine aanpassingen en/ of geringe concessies aan de bovenstaande principes, de huidige manier van gelten toevoegen op zeugenbedrijven aanzienlijk verbeterd kan worden voor wat betreft de risico’s van de introductie van infectieziektes.

Meer weten? 

Vraag het uw dierenarts. Of neem contact op met de varkensdierenartsen van Boehringer Ingelheim: Martijn Steenaert of Herman Prüst.

Meer weten?

Dit artikel is geïnspireerd op het boek: The Guilty Gilt Guide, 2024, Boehringer Ingelheim. Naast PRRS wordt in het boek ook ingegaan op Ileitis, PCV2 en Mhp.